Aan de hand van het reisverslag van zijn Joodse vader Bram Cohen, zijn dagboekaantekeningen uit het Jappenkamp en niet eerder vertoond archiefmateriaal schetst Paul Cohen (Janine, 2010) een beeld van het naoorlogse Europa door de ogen van zijn vader. Een poëtische docu over schuld, schaamte, vergeving en compassie, met universele betekenis.
In de lente van 1947 reist de jonge student Bram Cohen met de trein door Duitsland, op weg naar Kopenhagen. Zijn Joodse familie is voor de helft uitgemoord. Vol bitterheid kijkt hij naar het verwoeste land en het overwonnen volk. “De honger staat ze op het gezicht. Goed zo, nog lang niet genoeg!”, schrijft hij in zijn reisboek. Maar op het station in Hamburg draait alles om. Langs het spoor drentelen jonge kinderen met kromme beentjes door kalkgebrek. In plaats van haat voelt Bram vergeving en compassie. Hij geeft zijn brood aan een meisje van vijf. Eenmaal in Kopenhagen wordt Bram verliefd op een jonge Deense vrouw, waarmee hij zal trouwen. Regisseur Paul Cohen is hun jongste zoon. In De man met de glimlach maak je deze treinreis opnieuw en ontmoet je reizigers van nu die ook ieder een verhaal over vergeving hebben.
Tweevoudig Gouden-Kalf-winnaar Paul Cohen maakte niet alleen deze film, hij schreef ook een boek over de lotgevallen van zijn grootvader Aäron en zijn vader Bram met dezelfde titel als de docu: De man met de glimlach.